Aftrekbaarheid van vrijwillige pensioenpremies na ontslag
Een pensioenregeling kan de mogelijkheid bevatten om de pensioenregeling na ontslag vrijwillig voort te zetten en de pensioenpremies zelf te betalen. In de volgende rechtszaak ontstaat discussie over de aftrekbaarheid van de vrijwillig betaalde premies doordat het pensioenfonds in het reglement uit 2000 geen beperking heeft opgenomen ten aanzien van de duur van de vrijwillige voortzetting. De werknemer heeft van februari 1976 tot augustus 2000 in dienstbetrekking gestaan bij werkgever A. Het pensioen van hem was ondergebracht bij pensioenfonds A. Op grond van het pensioenreglement uit 2000 had de werknemer de mogelijkheid om de pensioenpremies na ontslag vrijwillig door te betalen, onder de voorwaarde dat dit verzoek binnen drie maanden na ontslag werd gedaan.
Na het ontslag bij werkgever A treedt de werknemer in dienst bij werkgever B, waar hij niet deelneemt aan een pensioenregeling. De werknemer heeft tot mei 2004 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de pensioenpremies bij pensioenfonds A vrijwillig door te betalen.
Aangifte IB
Bij de aangifte inkomstenbelasting over 2003 brengt de werknemer een bedrag van � 7.141, zijnde de in 2003 vrijwillig betaalde pensioenpremie, als lijfrentepremie in aftrek. De inspecteur weigert deze aftrek en staat slechts toe om de vrijwillig betaalde pensioenpremie tot augustus 2003 (drie jaar na ontslagdatum) van � 4.727 als negatief loon in aanmerking te nemen in plaats van het gehele bedrag. Rechtbank Breda komt tot de conclusie dat het restant van deze premie als lijfrentepremie is aan te merken en als zodanig in aftrek toegestaan moet worden.
Verband tussen betaalde premies en eerste werkgever
Hof Den Bosch (16 oktober 2009, nr. 2006/00184) stelt in hoger beroep dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen betaalde pensioenpremies en betaalde lijfrentepremies. Pensioenpremies kunnen niet als lijfrentepremie in aftrek worden gebracht.
Het hof is het echter niet eens met het standpunt van de inspecteur en oordeelt dat de betaalde pensioenpremie in dit geval wel in zijn geheel als negatief loon in aanmerking kan worden genomen. De Wet op de loonbelasting 1964 geeft geen omschrijving van negatief loon en noemt evenmin criteria voor de kwalificatie als negatief loon. Daardoor is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Aangezien de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot werkgever A en de betaalde pensioenpremies volgen uit de pensioenregeling van A, is ervoldoende verband tussen de betaalde premies en het dienstverband met werkgever A.
Verder stelt het Hof dat de driejaarstermijn uit het besluit van 20 november 2002 slechts van toepassing is als een werknemer niet elders in dienstbetrekking gaat werken. Nu de werknemer na het ontslag bij werkgever A in dienst is getreden bij werkgever B, is het besluit volgens het hof niet op de werknemer van toepassing. De betaalde pensioenpremie van � 7.141 kan daarom geheel op het inkomen in 2003 in mindering worden gebracht.
Mogelijkheden vrijwillige voortzetting
Een pensioenregeling kan de mogelijkheid bevatten om de pensioenregeling na ontslag vrijwillig voort te zetten en de pensioenpremies zelf te betalen. In deze zaak ontstaat discussie over de aftrekbaarheid van de vrijwillig betaalde premies doordat het pensioenfonds in het reglement uit 2000 geen beperking heeft opgenomen ten aanzien van de duur van de vrijwillige voortzetting. In het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt de periode gedurende drie jaar na ontslag onder voorwaarden als diensttijd aangemerkt. Deze voorwaarden zijn nader uitgewerkt in het fiscale besluit van 16 maart 2007.
Vrijwillige voortzetting is mogelijk indien:
- de werknemer gedurende ten minste drie jaren deelnemer is geweest in de voort te zetten regeling;
- de pensioenregeling niet wordt gewijzigd waarbij de pensioenrechten worden verbeterd;
- er geen cumulatie plaatsvindt met een pensioenregeling bij een eventuele nieuwe werkgever, de vorming van een oudedagsreserve of deelname aan een beroepspensioenregeling; en
- de vrijwillige voortzetting niet plaatsvindt gedurende de periode van drie jaren voorafgaande aan de pensioendatum, tenzij de dienstbetrekking om medische redenen is beëindigd.
Met de inwerkingtreding van de Pensioenwet is de vrijwillige voortzetting ook daar verankerd. Vrijwillige voortzetting wordt gedurende maximaal drie jaar na ontslag (of tien jaar als de werknemer na ontslag winst uit onderneming gaat genieten) toegestaan. De vrijwillige voortzetting gedurende tien jaar is fiscaal echter niet gefaciliteerd.
In de praktijk zullen pensioenuitvoerders vaak geen vrijwillige voortzetting kunnen uitvoeren. Ten eerste is de rechtstreekse premiebetaling van de ex-werknemer aan de pensioenuitvoerder vaak onuitvoerbaar binnen de rekening-courantverhouding die de werkgever en de pensioenuitvoerder zijn aangegaan. Daarnaast kan de pensioenuitvoerder niet adequaat toetsen of gedurende de periode van vrijwillige voortzetting continu aan de eisen uit het fiscale besluit, en dan met name de voorwaarde dat er geen cumulatie met een nieuwe pensioenregeling plaatsvindt, wordt voldaan.
Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden
Salarisjobs BV(©)2012. Alle rechten voorbehouden
(©) Actilus - Breda