Recente vacatures

>> meer vacatures

Nieuwsbulletin

>> meer nieuws

Bijeenkomsten

>> meer bijeeenkomsten

Wij steunen o.a.

Ook in werkkostenregeling saldering reiskosten mogelijk

De salderingsmogelijkheid is nu ook opgenomen in een recente wijziging van de Fiscale verzamelwet 2010. De leden van de fracties van de VVD en het CDA verzoeken om het (tijdstip van) salderen van reiskostenvergoedingen toe te lichten. De tijdvakken voor saldering van fiscaal onder- en bovenmatige reiskostenvergoedingen lopen in beginsel synchroon met het fiscale genietingsmoment. Dit is in het algemeen het moment van uitbetalen. In artikel 10f van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965) is een versoepeling van de afrekenplicht per loontijdvak opgenomen, in combinatie met een verschuiving van het fiscale genietingsmoment. Artikel 10f van het UBLB 1965 wordt nu in het kader van de motie Jurgens c.s.16 voor wat betreft het genietingsmoment overgebracht naar artikel 13a, vierde lid en vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964).

Tevens wordt de regeling aangepast aan de werkkostenregeling. Zonder die aanpassing zou de versoepeling van de afrekenplicht onder het regime van de werkkostenregeling in beginsel niet meer mogelijk zijn. Gelet op de systematiek van de werkkostenregeling moet de vergoeding per afgelegde reiskilometer namelijk per tijdvak worden aangewezen om gebruik te kunnen maken van de gerichte vrijstelling voor zakelijke reiskosten. De fiscale ruimte en de fiscale bovenmatigheid van reiskostenvergoedingen kunnen per tijdvak echter niet altijd optimaal met elkaar gecompenseerd worden. Tevens vormt saldering per tijdvak een administratieve last die door de saldering op jaarbasis sterk wordt beperkt. Om te bereiken dat de forfaitaire ruimte niet onnodig gebruikt hoeft te worden voor potentieel gericht vrijgestelde vergoedingen en ook niet een deel van de ruimte in de gerichte vrijstelling onnodig bij de werknemer tot belastingheffing leidt, wordt de faciliteit van versoepelde saldering ingepast in de werkkostenregeling. Daarbij is voor de werkgevers de afrekenplicht voor het op kalenderjaarbasis bovenmatige deel van de reiskostenvergoeding (dus voor zover op kalenderjaarbasis de reiskostenvergoedingen de gerichte vrijstelling overschrijden) in overeenstemming gebracht met het moment van definitieve afrekening in de werkkostenregeling ingeval een werkgever gebruik maakt van de voorlopige berekeningsmethoden van artikel 31a, vierde of vijfde lid, van Wet LB 1964.

Definitieve afrekening vindt in die gevallen plaats na afloop van het kalenderjaar in het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Herrekening vindt in die gevallen plaats uiterlijk in het eerste aangiftetijdvak van het nieuwe kalenderjaar. Bij maandaangevers wordt dit dus verwerkt in de decemberaangifte die eind januari plaatsvindt. De afrekening van de saldering van de reiskostenvergoeding loopt daarmee synchroon met de definitieve afdracht van de over de eindheffingsbestanddelen verschuldigde belasting.

De leden van de fractie van de VVD vragen het tijdstip van salderen in overeenstemming te brengen met het tijdstip onder de huidige regeling. Onder de huidige regeling wordt het bovenmatige gedeelte van de reiskostenvergoeding geacht te zijn genoten op de laatste werkdag van januari van het volgende kalenderjaar. Voorts wordt de verschuldigde belasting in het daaropvolgende tijdvak (in geval van maandaangevers in februari) afgedragen. Hoewel het sympathiek oogt om de huidige faciliteit op dit punt ongewijzigd te continueren, kent een dergelijke verschuiving van loon over de jaargrens heen grote bezwaren. Ingeval de bovenmatige reiskostenvergoeding tot het bij de werknemer te belasten loon van het volgende jaar zou behoren omdat de werkgever er niet voor kiest dat gedeelte als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen, zou in zoverre een verschuiving van de grondslag van de forfaitaire ruimte over de jaargrens heen plaatsvinden. Tevens zou een verschuiving van het genietingsmoment voor de saldering van reiskosten over de jaargrens, gelet op de samenhang, ook moeten plaatsvinden voor het bij toepassing van artikel 31a, vierde of vijfde lid, van de Wet LB 1964 relevante afrekenmoment. Juist vanwege de beoogde vereenvoudiging is ervoor gekozen om niet af te wijken van de jaarloonvaststelling en kalenderjaarsystematiek. En overigens heeft een dergelijke verschuiving onder de werkkostenregeling tot ongewenst gevolg dat als het ware de uitstelfaciliteit verdubbeld zou kunnen worden. Indien de bovenmatige reiskostenvergoeding namelijk wel tot het loon van het volgende jaar zou behoren, zou de heffing bij toepassing in het volgende kalenderjaar van artikel 31a, vijfde lid, van de Wet LB 1964 onder omstandigheden in totaal bijna twee jaar kunnen worden uitgesteld. Het wegnemen van deze gevolgen voor de voorlopige berekeningsmethoden staat haaks op de met de werkkostenregeling beoogde vereenvoudiging.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van de voorgestelde salderingsregeling voor het bedrijfsleven. Vanuit de hoek van enkele softwareleveranciers is de wijziging ten opzichte van de huidige regeling aan de orde gesteld. De beperking van de verwerkingstijd (aangifte in de maand februari over januari wordt aangifte in de maand januari over december) wordt namelijk als lastig ervaren omdat de aangifte vaak veel eerder dan het eind de maand gereedgemaakt wordt. Op dit punt wordt overleg met de branche gevoerd. Voor werkgevers die nog geen gebruik maken van de werkkostenregeling blijft de salderingsmethode zoals die thans geldt van toepassing.

De per 1 januari 2011 in te voeren Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011) ziet onder andere op de waardering van verstrekkingen (loon in natura), en dan met name de waardering van werkplekgerelateerde voorzieningen, de leden van de fractie van het CDA vragen hiernaar. Het concept van de URLB 2011 heeft tussen 11 juni en 12 juli jl. ter consultatie op internet gestaan. Dit heeft tot 62 reacties geleid. De internetconsultatie heeft een positieve bijdrage geleverd aan het verkrijgen van een breder beeld van de effecten van de werkkostenregeling. Dit heeft geleid tot een aantal verbeteringen van de URLB 2011 ten opzichte van de consultatieversie. Zo zijn de forfaitaire waarderingen van op de werkplek verstrekte maaltijden, huisvesting en inwoning en bedrijfsfitness verder vereenvoudigd. Ook is het centrale begrip ‘werkplek’ nader toegelicht. De aangepaste URLB 2011 is op 8 september jl. vastgesteld.

Bron: ministerie van financiën
werkkostenregeling salarisadministratie

(©) Actilus - Breda