Opgebouwd vakantiegeld niet of later uitbetalen in verband met coronacrisis

Nieuws
img_02
Share

Werkgevers die in zwaar weer verkeren door de coronacrisis kunnen problemen hebben (gehad) om geld vrij te maken voor de betaling van het vakantiegeld in mei of juni. Er mag echter niet zomaar eenzijdig worden besloten om het vakantiegeld te spreiden, uit te stellen of niet te betalen.

De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) stelt dat werknemers jaarlijks recht hebben op vakantiegeld. Minimaal 8% over het bruto jaarloon wat wordt uitbetaald in juni, tenzij anders is vastgelegd. Van dit recht kan in principe niet worden afgeweken maar het kan een zware last zijn voor werkgevers die getroffen zijn door de coronacrisis om aan deze plicht te voldoen. Deze werkgevers kunnen het beste in gesprek gaan met de werknemers om een passende oplossing te vinden.

De werkgever kan de werknemers vragen of zij individueel akkoord gaan met een latere uitbetaling of spreiding van uitbetaling van het vakantiegeld. Werkgever kan inzichtelijk maken aan werknemer waarom hij geen geld heeft kunnen vrijmaken waarna werknemers wellicht eerder bereid zijn om akkoord te gaan. Werkgevers moeten daarbij wel controleren wat er kan op basis van de cao of arbeidsvoorwaardenreglement. Een goede werkgever informeert de werknemers ook over de mogelijk nadelige gevolgen bij faillissement of voor de hoogte van een eventuele WW-uitkering. Wanneer werknemers niet akkoord gaan met de voorstellen dan moet de werkgever de bestaande afspraken naleven. Bij een te late betaling kan de werknemer het geld opeisen, mogelijk met wettelijke verhoging en rente.

Werknemers die meer dan driemaal het minimumloon verdienen (tot 1 juli 2021; € 5.054,40 bruto per maand), is de werkgever niet verplicht om over het meerdere vakantiegeld te betalen. De werkgever mag voor deze werknemers de betaling van het vakantiegeld deels of zelfs volledig uitsluiten mits de werknemers hier schriftelijk mee instemmen.